rondlopen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
rondlopen
Uitspraak: /ˈrɔnt.loː.pə(n)/
Voorbeeld
Ze loopt graag rond in de stad.
Vervoeging
| ik | loop rond |
| jij | loopt rond |
| hij | loopt rond |
| wij | rondlopen |
| jullie | rondlopen |
| zij | rondlopen |
Verleden tijd
liep rond / liepen rond
Voltooid deelwoord
hebbenrondgelopen
Gebiedende wijs
loop rond
Voorwaardelijke wijs
zou rondlopen
Toekomende tijd
zal rondlopen
Scheidbaar werkwoord