schieten

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
schieten
Uitspraak: /ˈsxiːtən/
Voorbeeld
De jager schiet op het doel.
Vervoeging
ikschiet
jijschiet
hijschiet
wijschieten
jullieschieten
zijschieten
Verleden tijd
schoot / schoten
Voltooid deelwoord
hebbengeschoten
Gebiedende wijs
schiet
Voorwaardelijke wijs
zou schieten
Toekomende tijd
zal schieten