schoppen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
schoppen
Uitspraak: /ˈsxɔ.pə(n)/
Voorbeeld
De kinderen schoppen de bal in de tuin.
Vervoeging
| ik | schop |
| jij | schopt |
| hij | schopt |
| wij | schoppen |
| jullie | schoppen |
| zij | schoppen |
Verleden tijd
schopte / schopten
Voltooid deelwoord
hebbengeschopt
Gebiedende wijs
schop
Voorwaardelijke wijs
zou schoppen
Toekomende tijd
zal schoppen
zelfstandig naamwoordb1
Vertaling
schoppen
Uitspraak: /ˈsxɔpə(n)/
Voorbeeld
Hij had alleen maar schoppen in zijn hand.