slapen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
slapen
Uitspraak: /ˈslaː.pə(n)/
Voorbeeld
Ik ga vroeg naar bed om genoeg te slapen.
Vervoeging
ikslaap
jijslaapt
hijslaapt
wijslapen
jullieslapen
zijslapen
Verleden tijd
sliep / sliepen
Voltooid deelwoord
hebbengeslapen
Gebiedende wijs
slaap
Voorwaardelijke wijs
zou slapen
Toekomende tijd
zal slapen