sluiten
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
sluiten
Uitspraak: /ˈslœy.tə(n)/
Voorbeeld
De winkel sluit om zes uur.
Vervoeging
| ik | sluit |
| jij | sluit |
| hij | sluit |
| wij | sluiten |
| jullie | sluiten |
| zij | sluiten |
Verleden tijd
sloot / sloten
Voltooid deelwoord
hebbengesloten
Gebiedende wijs
sluit
Voorwaardelijke wijs
zou sluiten
Toekomende tijd
zal sluiten