spelen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
spelen
Uitspraak: /ˈspeː.lə(n)/
Voorbeeld
De kinderen spelen in de tuin.
Vervoeging
ikspeel
jijspeelt
hijspeelt
wijspelen
julliespelen
zijspelen
Verleden tijd
speelde / speelden
Voltooid deelwoord
hebbengespeeld
Gebiedende wijs
speel
Voorwaardelijke wijs
zou spelen
Toekomende tijd
zal spelen