storten

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
storten
Uitspraak: /ˈstɔr.tə(n)/
Voorbeeld
Hij gaat geld op zijn rekening storten.
Vervoeging
ikstort
jijstort
hijstort
wijstorten
julliestorten
zijstorten
Verleden tijd
stortte / stortten
Voltooid deelwoord
hebbengestort
Gebiedende wijs
stort
Voorwaardelijke wijs
zou storten
Toekomende tijd
zal storten