straffen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to punish
Uitspraak: /ˈstrɑfə(n)/
Voorbeeld
De leraar besloot de leerling te straffen.
Vervoeging
| ik | straf |
| jij | straft |
| hij | straft |
| wij | straffen |
| jullie | straffen |
| zij | straffen |
Verleden tijd
straffte / strafften
Voltooid deelwoord
hebbengestrafft
Gebiedende wijs
straff
Voorwaardelijke wijs
zou straffen
Toekomende tijd
zal straffen