teruggaan
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
teruggaan
Uitspraak: /təˈrʏxɣaːn/
Voorbeeld
We moeten nu naar huis teruggaan.
Vervoeging
| ik | ga terug |
| jij | gaat terug |
| hij | gaat terug |
| wij | gaan terug |
| jullie | gaan terug |
| zij | gaan terug |
Verleden tijd
ging terug / gingen terug
Voltooid deelwoord
zijnteruggegaan
Gebiedende wijs
ga terug
Voorwaardelijke wijs
zou teruggaan
Toekomende tijd
zal teruggaan
Scheidbaar werkwoord