trainen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
trainen
Uitspraak: /ˈtrɛi̯.nə(n)/
Voorbeeld
Ik ga elke dag trainen in de sportschool.
Vervoeging
| ik | train |
| jij | traint |
| hij | traint |
| wij | trainen |
| jullie | trainen |
| zij | trainen |
Verleden tijd
trainde / trainden
Voltooid deelwoord
hebbengetraind
Gebiedende wijs
train
Voorwaardelijke wijs
zou trainen
Toekomende tijd
zal trainen