treffen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
treffen
Uitspraak: /ˈtrɛ.fə(n)/
Voorbeeld
We zullen elkaar morgen treffen.
Vervoeging
| ik | tref |
| jij | treft |
| hij | treft |
| wij | treffen |
| jullie | treffen |
| zij | treffen |
Verleden tijd
trof / troffen
Voltooid deelwoord
hebbengetroffen
Gebiedende wijs
trek
Voorwaardelijke wijs
zou treffen
Toekomende tijd
zal treffen
zelfstandig naamwoordb1
Vertaling
treffen
Uitspraak: /ˈtrɛ.fə(n)/
Voorbeeld
Het treffen was succesvol.