trouwen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
trouwen
Uitspraak: /ˈtrɑu̯ən/
Voorbeeld
Ze gaan volgend jaar trouwen.
Vervoeging
| ik | trouw |
| jij | trouwt |
| hij | trouwt |
| wij | trouwen |
| jullie | trouwen |
| zij | trouwen |
Verleden tijd
trouwde / trouwden
Voltooid deelwoord
zijngetrouwd
Gebiedende wijs
trouw
Voorwaardelijke wijs
zou trouwen
Toekomende tijd
zal trouwen