uitbetalen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
to pay out
Uitspraak: /ˈœytbəˌtaːlə(n)/
Voorbeeld
Ze zullen het salaris aan het einde van de maand uitbetalen.
Vervoeging
| ik | betaal uit |
| jij | betaalt uit |
| hij | betaalt uit |
| wij | betalen uit |
| jullie | betalen uit |
| zij | betalen uit |
Verleden tijd
betalde / betalden
Voltooid deelwoord
hebbengeuitbetald
Gebiedende wijs
betal
Voorwaardelijke wijs
zou uitbetalen
Toekomende tijd
zal uitbetalen
Scheidbaar werkwoord