uitbouwen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb2
Vertaling
expand
Uitspraak: /ˈœytˌbɑu̯ə(n)/
Voorbeeld
Ze willen hun huis verder uitbouwen.
Vervoeging
| ik | bouw uit |
| jij | bouwt uit |
| hij | bouwt uit |
| wij | uitbouwen |
| jullie | uitbouwen |
| zij | uitbouwen |
Verleden tijd
bouwde / bouwden
Voltooid deelwoord
hebbengeuitbouwd
Gebiedende wijs
bouw
Voorwaardelijke wijs
zou uitbouwen
Toekomende tijd
zal uitbouwen
Scheidbaar werkwoord