uitdelen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
to distribute
Uitspraak: /ˈœytˌdeːlə(n)/
Voorbeeld
De leraar begon de toetsen uit te delen.
Vervoeging
| ik | deel uit |
| jij | deelt uit |
| hij | deelt uit |
| wij | uitdelen |
| jullie | uitdelen |
| zij | uitdelen |
Verleden tijd
delde / delden
Voltooid deelwoord
hebbengeuitdeld
Gebiedende wijs
del
Voorwaardelijke wijs
zou uitdelen
Toekomende tijd
zal uitdelen
Scheidbaar werkwoord