uitmaken

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
to decide
Uitspraak: /ˈœy̯tˌmaː.kə(n)/
Voorbeeld
Zij besloot het uit te maken met hem.
Vervoeging
ikuitmaak
jijuitmaakt
hijuitmaakt
wijuitmaken
jullieuitmaken
zijuitmaken
Verleden tijd
makte / makten
Voltooid deelwoord
hebbengeuitmakt
Gebiedende wijs
mak
Voorwaardelijke wijs
zou uitmaken
Toekomende tijd
zal uitmaken
Scheidbaar werkwoord