uitspreiden

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
spread out
Uitspraak: /ˈœytˌsprɛi̯də(n)/
Voorbeeld
Ze besloot de kaarten op tafel uit te spreiden.
Vervoeging
ikspreid uit
jijspreidt uit
hijspreidt uit
wijuitspreiden
jullieuitspreiden
zijuitspreiden
Verleden tijd
spreidde / spreidden
Voltooid deelwoord
hebbengeuitspreidd
Gebiedende wijs
spreid
Voorwaardelijke wijs
zou uitspreiden
Toekomende tijd
zal uitspreiden
Scheidbaar werkwoord