uittrekken

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
to take off
Uitspraak: /ˈœytˌtrɛkə(n)/
Voorbeeld
Hij gaat zijn oude schoenen uittrekken.
Vervoeging
iktrek uit
jijtrekt uit
hijtrekt uit
wijuittrekken
jullieuittrekken
zijuittrekken
Verleden tijd
trekkte / trekkten
Voltooid deelwoord
hebbengeuittrekkt
Gebiedende wijs
trekk
Voorwaardelijke wijs
zou uittrekken
Toekomende tijd
zal uittrekken
Scheidbaar werkwoord