vastleggen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
record
Uitspraak: /ˈvɑstˌlɛɣə(n)/
Voorbeeld
We moeten de afspraken schriftelijk vastleggen.
Vervoeging
| ik | leg vast |
| jij | legt vast |
| hij | legt vast |
| wij | vastleggen |
| jullie | vastleggen |
| zij | vastleggen |
Verleden tijd
vastleggde / vastleggden
Voltooid deelwoord
hebbengevastleggd
Gebiedende wijs
vastlegg
Voorwaardelijke wijs
zou vastleggen
Toekomende tijd
zal vastleggen
Scheidbaar werkwoord