vastplakken
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
to stick
Uitspraak: /ˈvɑstˌplɑkə(n)/
Voorbeeld
Ze gaat de poster op de muur vastplakken.
Vervoeging
| ik | plak vast |
| jij | plakt vast |
| hij | plakt vast |
| wij | plakken vast |
| jullie | plakken vast |
| zij | plakken vast |
Verleden tijd
vastplakkte / vastplakkten
Voltooid deelwoord
hebbengevastplakkt
Gebiedende wijs
vastplakk
Voorwaardelijke wijs
zou vastplakken
Toekomende tijd
zal vastplakken
Scheidbaar werkwoord