vaststellen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
to determine
Uitspraak: /ˈvɑstˌstɛlə(n)/
Voorbeeld
De dokter kon de diagnose snel vaststellen.
Vervoeging
ikvaststel
jijvaststelt
hijvaststelt
wijvaststellen
jullievaststellen
zijvaststellen
Verleden tijd
vaststellde / vaststellden
Voltooid deelwoord
hebbengevaststelld
Gebiedende wijs
vaststell
Voorwaardelijke wijs
zou vaststellen
Toekomende tijd
zal vaststellen
Scheidbaar werkwoord