verplaatsen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
verplaatsen
Uitspraak: /vərˈplaːtsə(n)/
Voorbeeld
Kun je de tafel verplaatsen naar de andere kamer?
Vervoeging
| ik | verplaats |
| jij | verplaatst |
| hij | verplaatst |
| wij | verplaatsen |
| jullie | verplaatsen |
| zij | verplaatsen |
Verleden tijd
verplaatste / verplaatsten
Voltooid deelwoord
hebbenverplaatst
Gebiedende wijs
verplaats
Voorwaardelijke wijs
zou verplaatsen
Toekomende tijd
zal verplaatsen