voorzien
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
to provide
Uitspraak: /vɔrˈziːn/
Voorbeeld
We moeten in onze eigen behoeften voorzien.
Vervoeging
| ik | voorzie |
| jij | voorziet |
| hij | voorziet |
| wij | voorzien |
| jullie | voorzien |
| zij | voorzien |
Verleden tijd
zide / ziden
Voltooid deelwoord
hebbengevoorzid
Gebiedende wijs
zi
Voorwaardelijke wijs
zou voorzien
Toekomende tijd
zal voorzien
Scheidbaar werkwoord
bijvoeglijk naamwoordb2
Vertaling
provided
Uitspraak: /vɔrˈziːn/
Voorbeeld
Het huis is van alle gemakken voorzien.