wachten
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
wait
Uitspraak: /ˈʋɑxtə(n)/
Voorbeeld
We moeten op de bus wachten.
Vervoeging
| ik | wacht |
| jij | wacht |
| hij | wacht |
| wij | wachten |
| jullie | wachten |
| zij | wachten |
Verleden tijd
wachtte / wachtten
Voltooid deelwoord
hebbengewachtt
Gebiedende wijs
wacht
Voorwaardelijke wijs
zou wachten
Toekomende tijd
zal wachten
Scheidbaar werkwoord