wandelen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
wandelen
Uitspraak: /ˈʋɑn.də.lə(n)/
Voorbeeld
Wij wandelen elke zondag in het park.
Vervoeging
| ik | wandel |
| jij | wandelt |
| hij | wandelt |
| wij | wandelen |
| jullie | wandelen |
| zij | wandelen |
Verleden tijd
wandelde / wandelden
Voltooid deelwoord
hebbengewandeld
Gebiedende wijs
wandel
Voorwaardelijke wijs
zou wandelen
Toekomende tijd
zal wandelen