wassen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
wassen
Uitspraak: /ˈʋɑ.sə(n)/
Voorbeeld
Ik moet mijn handen wassen voor het eten.
Vervoeging
ikwas
jijwast
hijwast
wijwassen
julliewassen
zijwassen
Verleden tijd
waste / wasten
Voltooid deelwoord
hebben/zijngewassen
Gebiedende wijs
was
Voorwaardelijke wijs
zou wassen
Toekomende tijd
zal wassen