willen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
willen
Uitspraak: /ˈʋɪ.lə(n)/
Voorbeeld
Ze willen graag naar het strand gaan.
Vervoeging
ikwil
jijwilt
hijwil
wijwillen
julliewillen
zijwillen
Verleden tijd
wilde/wou / wilden/wouden
Voltooid deelwoord
hebbengewild
Gebiedende wijs
wil
Voorwaardelijke wijs
zou willen
Toekomende tijd
zal willen