winkelen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
winkelen
Uitspraak: /ˈʋɪŋ.kə.lə(n)/
Voorbeeld
We gaan morgen in de stad winkelen.
Vervoeging
ikwinkel
jijwinkelt
hijwinkelt
wijwinkelen
julliewinkelen
zijwinkelen
Verleden tijd
winkelde / winkelden
Voltooid deelwoord
hebbengewinkeld
Gebiedende wijs
winkel
Voorwaardelijke wijs
zou winkelen
Toekomende tijd
zal winkelen