zitten

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
zitten
Uitspraak: /ˈzɪ.tə(n)/
Voorbeeld
Ze zitten op de bank te praten.
Vervoeging
ikzit
jijzit
hijzit
wijzitten
julliezitten
zijzitten
Verleden tijd
zat / zaten
Voltooid deelwoord
hebbengezeten
Gebiedende wijs
zit
Voorwaardelijke wijs
zou zitten
Toekomende tijd
zal zitten