zoenen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
zoenen
Uitspraak: /ˈzuː.nə(n)/
Voorbeeld
Ze stonden in de regen te zoenen.
Vervoeging
ikzoen
jijzoent
hijzoent
wijzoenen
julliezoenen
zijzoenen
Verleden tijd
zoende / zoenden
Voltooid deelwoord
hebbengezoend
Gebiedende wijs
zoen
Voorwaardelijke wijs
zou zoenen
Toekomende tijd
zal zoenen
zelfstandig naamwoorda2
Vertaling
zoenen
Uitspraak: /ˈzuː.nə(n)/
Voorbeeld
De zoenen van de moeder maakten het kind blij.