zwemmen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
zwemmen
Uitspraak: /ˈzʋɛmən/
Voorbeeld
In de zomer gaan we vaak zwemmen.
Vervoeging
| ik | zwem |
| jij | zwemt |
| hij | zwemt |
| wij | zwemmen |
| jullie | zwemmen |
| zij | zwemmen |
Verleden tijd
zwom / zwommen
Voltooid deelwoord
hebben/zijngezwommen
Gebiedende wijs
zwem
Voorwaardelijke wijs
zou zwemmen
Toekomende tijd
zal zwemmen
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
zwemmen
Uitspraak: /ˈzʋɛmən/
Voorbeeld
Zwemmen is een goede oefening.